Mijn vader was mijnbeambte op de staatsmijn Emma, toen hij in mei 1956 een retraite volgde op het internaat in Spaubeek. Hij was toen lid van de Katholieke Vereniging van Mijnbeambten. Tien jaar later zat ik, met mijn HBS-klas, ook in Spaubeek in datzelfde internaat voor enkele ‘bezinningsdagen’.
Op het Bernardinuscollege waren we gewend aan de franciscaner paters. Veelal kleurrijke figuren – de ene directeur en liefhebber van snelle auto’s, de ander specialist in lesroosters samenstellen, veelal waren ze thuis in godsdienstleer, een enkeling hield van literatuur of politiek. Tussen neus en lippen kregen van hen de boodschap mee dat de Jezuieten – en die zaten in Spaubeek – de ‘geleerden’ binnen de kerk waren.
Wij waren een beetje op onze hoede in de omgang met die nieuwe categorie paters. De Jezuieten spraken over de filosoof Teilhard de Jardin als voorbeeld voor ons katholieke jongeren. ’s Avonds mochten we, indien we de behoefte hadden, ons hart uitstorten. De volgende ochtend kregen we in een zaal onderricht over de omgang met de andere sekse. Een Jezuiet keek ons allen indringend aan en stelde de hamvraag:”Waar ligt de grens?”
Ergens riep iemand: “…vijftien centimer!” Besmuikt gelach en toen een ijselijke stilte. De pater-Jesuiet verliet de zaal. We konden vertrekken, voorgoed. Achter de schermen werd een lijmpoging gedaan door een begeleidende Franscinaner pater en verontschuldigingen geformuleerd. Uiteindelijk mochten we de retraite afmaken.
Met Jezuïeten viel niet te spotten.
